Een requiemroman

Kinderloze vader

Gisteravond ben ik begonnen in het requiem dat A.F.Th. schreef voor zijn enige kind, zijn zoon Tonio die vorig jaar met Pinksteren dodelijke verongelukte. De roman werd in elke krant die ik opensloeg aangekondigd, besproken, beïnterviewd en in verschillende contexten geplaatst. Het is precies een jaar geleden, het is weer Pinksteren en ik wilde hem lezen. Ik wilde hem ook niet lezen. Dit vanwege dezelfde reden als waarom ik destijds voor mijn studie Nederlands koos: ik verdrink (mijn leesleven lang al) in boeken. Van openslaan tot sluiten woon ik in het huis van de hoofdpersonen, zie ik hun uitzichten, voel ik hun gevoelens, denk ik hun gedachtes. Als ik een boek lees, kleurt mijn eigen huis anders en adem ik beelden. Bij boeken over (goed verlopende, een zeldzaamheid in literatuur) verliefdheden loop ik op wolken en zijn de muren roze. Bij boeken over rouw valt er een steen op mijn maag en zijn de muren zwart. Het is een vloek en een zegen. Dit is een boek waarin een vader zijn dode zoon beademt met woorden, wanhopig proberend hem op papier tot leven te wekken. Ik zag er dus tegenop. Inmiddels ben ik iets over de helft en moet ik vanmiddag even iets anders doen.

‘Hier ligt mijn beste stuk proza…’ Zou ik dat ooit in ernst van Tonio durven zeggen? Nee, maar ik kon wel proberen hem in proza levend te houden. Niet zodanig dat de mensen zouden zeggen: zijn beste proza… Maar dat ik ze, in wat voor stijl dan ook, een Tonio van vlees en bloed zou leveren.’

AF.Th – in het boek ‘Adri’ en voor mij dit weekend dus ook  – schrijft het boek uit noodzaak, als overlevingsstrategie en om zijn zoon voor anderen en zichzelf in leven te houden.

In het boek worden de gebeurtenissen rondom Tonio’s ongeluk, de begrafenis, de rouw (‘Nadenken deed je als er naar oplossingen gezocht moest worden. Ik kon niet eens denken: hier zitten we, twee mensen met een probleem. Er was geen probleem, omdat een oplossing voor eens en voor al uitgesloten was.’), de reconstructie van zijn laatste dagen, vervlochten met herinneringen aan het leven daarvoor. We krijgen een intieme toegang tot het huwelijksleven van Mirjam en Adri en Adri’s kinderwens die in hun eerste jaren samen steeds vaker om de hoek komt kijken. Altijd was dit verlangen naar een kind meteen verbonden met angst. Niet alleen voor de verantwoordelijkheden die erbij komen kijken, maar ook verlatingsangst: ‘Mijn zucht naar nageslacht was even sterk als mijn angst ervoor. Hier was sprake van het soort dilemma dat het in romans en films zo goed doet. Mijn verlangen naar een kind was op verlammende wijze in evenwicht met mijn vrees dat kind ook weer te verliezen.’

Als Adri en Mirjam het krijgen van een kind opnieuw bespreken, blijkt waarom Mirjam er lang niet aan durfde te beginnen:
-‘Natuurlijk wil ik het graag,’ zei ze. ‘Maar ik ben zo bang… zo bang dat alles, de hele zorg, op mij neerkomt. Vooral als jij weer in de stress zit met een nieuw boek of zo. Begrijp dat dan.’ Ze huilde nu voluit. Tussen de uithalen door kon ik Jean Nehr a capella horen zingen, waarbij hij in de lach dreigde te schieten.
-‘Het eten, Minchen, de afwas, dat laat ik allemaal schaamteloos aan jou over, als het me zo uitkomt. Maar een kind… dan gaat het om heel andere verantwoordelijkheden. Hoor mij.’
-‘Adri, ik wil niet dat mijn leven eindigt met het krijgen van een kind. Ik moet iets bereiken in de wereld. ‘Dus’ (met een komisch smekend stemmetje) ‘je belooft dat je me zult helpen?’ Ik beloofde het haar plechtig, terwijl de schrik me om het hart sloeg.

Daar is de angst weer, maar ook de ongekende blijdschap als Mirjam een paar maanden later zwanger blijkt te zijn: ‘Als de vrucht levensvatbaar zou blijken, en tot een voldragen kind uitgroeide, dan mocht het nooit aan mijn aandacht ontsnappen. Schrijven? Alleen om voor de kleine en z’n dienende ouders de kost te verdienen, en dan nog uitsluitend in de pauzes van het vaderschap. Het was een dure eed die ik bij De Bisschop stilzwijgend zwoer.’

Een dure eed inderdaad voor workaholic Van der Heijden, maar een eed waar hij zich de rest van zijn leven zo goed als hij kan aan probeert te houden. Het vaderschap was voortaan de voorstelling, de baan, de rest zou slechts pauzevulling zijn. Hoe moet het dan verder als het kind sterft? Kun je een leven nog met enkel pauze vullen?

In het boek worden we beklemmend deelgenoot van de worsteling. Mirjam en Adri besluiten samen, met horten en stoten, voor het leven te kiezen. Adri verbaast zich op de dag zelf al dat hij “gewoon” blijft leven: ‘Tonio was alweer uren dood, en ik had nog altijd geen zelfmoord gepleegd. Ik mocht weleens bij mezelf te raden gaan over zaken als lafheid, gebrek aan solidariteit, kilheid van gevoelens.’ Om er later bij te denken: ‘Hoe langer ik er, wachtend op Mirjam, over nadacht, des te futieler werd de kwestie van de zelfmoord. Tonio was dood, en daarbij werd mijn eigen vernietiging een lachertje.’

In de eerste week spreken ze het volgende af: ‘Laten we hem eerst maar eens waardig begraven. Dan kunnen we altijd nog verder zien… of niet langer verder zien.’ Om daarna te besluiten dat ze door moeten gaan om hem, namens hem. In de Volkskrant van gisteren schrijft A.F. Th. hierover: ‘Nu Mirjam en ik besloten hebben niet zelf aan Tonio’s vernietiging te gronde te gaan, moeten we zien in leven te blijven, en brood eten – met of zonder tranen.’

Er klopt natuurlijk niets van dat ouders hun kind overleven, of zoals A.F.TH. het zegt: ‘Dat de cirkel van mijn leven die van Tonio’s leven bleek te kunnen omsluiten, dat maakte er voor de rest van de wiskundige eeuwigheid een besmette meetkundige figuur van.’

Bij al het peilloze verdriet waarin hij wegzonk, bespeurt hij nog plaats voor andere aandoeningen. ‘Zoals trots. Ik was trots op hem: zoals hij daar sereen en soeverein lag te sterven. Hij kon het, hij deed het, hij stierf. Het was meer dan iemand tot nu toe van mij had kunnen zeggen. Ik was nog, kinderachtig, met mijn doodsangst bezig. Wat sterven betreft, lag Tonio een volle manslengte op me voor.’

Vanaf Tonio’s geboorte op 15 juni 1988 had hij de consequenties van het vader worden te aanvaarden: ‘Ik moest zien de jongen op z’n minst tot aan zijn volwassenheid te beschermen, te verwarmen, te voeden, te kleden, school te laten gaan.’ Nu hij dood is, voelt hij zich nog altijd verantwoordelijk: ‘Wat mijn liefde voor hem betreft, reikte mijn betrokkenheid tot ver over zijn volwassenheid heen – tot mijn eigen dood erop volgde, en dan nog. Hij overleefde mij niet. […] Ook in gestorven staat dien ik hem volledig te accepteren- en te verzorgen. […] Mirjam is onverminderd D&GA (Die en Geen Ander-SR), de enige vrouw bij wie ik ooit een kind heb gewild. Nu haar zoon dood is, moet ik onverminderd voor hem zorgen, net als voor haar.’

Als de gebroken ouders hun gestorven kind achterlaten in het ziekenhuisbed, zegt de kinderloze vader: ‘Tijd om te gaan. Het viel me zwaar om me nou juist het beeld van Tonio zoals hij daar lag voor de rest van mijn leven in te prenten. Maakte uitsluitend iemands laatst achtergelaten indruk aanspraak op geldigheid? Ik moest ervoor vechten, ook namens Mirjam en Tonio zelf, om de gave uitvoering van mijn zoon opnieuw erkend te krijgen.’

Gevochten heeft hij en gewonnen. Tonio is een levend monument voor de dode Tonio. Tonio ligt niet op die begraafplaats in Buitenveldert, hij ligt op iedere bladzijde van deze roman.

De dag na Zwarte eerste Pinksterdag, morgen precies een jaar geleden, peinst Adri: ‘Tonio had gistermorgen in alle vroegte hooguit de lucht een tint van kleur zien verschieten. Meer zomer zat er niet in voor hem dit jaar, dit leven.’

Morgen mogen wij Tweede Pinksterdag wel leven en lees ik verder.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s